Het kanaal

Vervoer over water was in eind 19e eeuw heel belangrijk. Vaarroutes via de Vecht, de Dinkel en Regge en andere beken, werden druk bevaren. De schippers zorgden echter mede voor verzanding van deze vaarroutes door bij laagwater dammen op te werpen om zo op het volgende vaarstuk dieper water te krijgen. Resultaat was dat in 1876 de Overijsselse Vecht praktisch onbevaarbaar was geworden en de Nederlandse en Duitse regering besloten een vaarverbinding te maken tussen Almelo en Nordhorn. Zij verwachtten veel van de verbindingen van de waterwegen tussen beide landen. De textiel industrie nam steeds meer toe en daarmee ook de behoefte aan vervoer van turf, en veel later ook kunstmest en slakken (werd in veevoeder gemengd).

 

Eind 1884 werd begonnen met het graven van het kanaal. Ongeveer 200 polderjongens groeven met de schop het ruim 35 km lange kanaal. De bovenbreedte was ongeveer 14 meter, de bodembreedte ongeveer 7,50 meter. Hierdoor was het kanaal geschikt voor schepen tot 150 ton. Ook moesten er 5 sluizen en 10 ophaalbruggen gerealiseerd worden om het hoogteverschil van 17.40 meter tussen begin en eindpunt te overbruggen.

 

De polderjongens kwamen veel met hun hele gezin, vaak uit het armere Noorden, en die verhuisden met het verloop van het graven van het kanaal richting Duitsland gewoon mee. Het enige vertier wat ze hadden was het café en daar werd dan ook menig loon opgedronken.